Nee, want net zoals de Israelieten zich niet langer mochten toegeven aan de gebruiken van de Egyptenaren en de Kanaanieten (Lev 18:2-4), zo moeten christenen uit de heidenen ook hun lusten verwerpen.Dit lijkt mij onbepaald. Het kan zowel op heidenen als Israelieten betrekking hebben.- “Wees gehoorzaam als kinderen en geef niet langer toe aan de lusten die uw leven beheersten in de tijd van uw onwetendheid.” (1 Pet 1:14)
De Israelieten komen dus niet uit een tijd van onwetendheid, want zij weten het al sinds Leviticus. De heidenen komen wél uit onwetendheid, want zij hadden geen Tora.
Petrus stelt hier dat de lezers verlost zijn, oftewel het zijn dus christenen. Waaruit zijn ze verlost? Uit het zinloze bestaan… Hadden de Israelieten een zinloos bestaan? Zou Petrus het bestaan van het uitverkoren volk van God als zinloos bestempelen? Daarmee zou hij dus verklaren dat God, de Israelieten niet naar het Beloofde Land had geleid, maar naar een zinloos bestaan. Dat lijkt mij uitgesloten…Waarom denk jij dat dit vers aangeeft dat het aan heidenen gericht is?- “U weet dat u niet door vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, bent verlost uit het zinloze bestaan dat u van uw vaderen hebt geërfd.”(1 Pet 1:18)
('van de vaderen overgeleverd', neigt m.i. zelfs meer richting Joden dan heidenen)
Niet helemaal, zoals ik al eerder had uitgelegd riep God niet héél Israel op koninklijk priesterschap. Eerst was er de patriarchale periode met Aaronitisch priesterschap en na het verraad van de Israelieten verloren zij hun privilieges en kregen alléén de Levieten nog recht op priesterschap."een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie" verwijst feitelijk in alle opzichten naar Israel. (en het doel dat God met Israel voorheeft)- “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk dat zijn bijzonder eigendom werd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderlijk licht: u, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd” (1 Pet 2:9-10)
Dit vers kan dus sowieso al niet slaan op joden, maar op christenen. De geadresseerde christenen in de vijf genoemde provincies in eerste instantie, maar feitelijk geldt het voor alle christenen.
Petrus maakt hier een selectie van gecombineerde OT frases uit de LXX: Jes 43:20-21 en Ex. 19:6. Door deze verzen met elkaar te verbinden roept Petrus de twee belangrijkste momenten van verlossing uit Israels geschiedenis op: de bevrijding uit de slavernij van Egypte en de bevrijding uit de Babylonische ballingschap. Petrus zegt hier dus, dat wat Israel was en waartoe het geroepen was is nu vervuld in de Kerk door de Verlossing van Christus.
De joden waren uitverkoren om de Messias voort te brengen, maar toen zij Hem verwierpen verloren zij elk goddelijk privilege en gingen deze over op de christenen (1 Pet. 3:9; Hnd 28:26-28)
Christenen zijn een uitverkoren geslacht, uitgekozen al vóór de grondlegging van de wereld, een heilige natie en dragen een koninklijk priesterschap, vanwege onze opname in Christus (zie Ef. 1:4-6).
Petrus alludeert hier inderdaad aan Hos 1:9 en 2:25, maar ook aan Mal 7:17. De profeten spraken inderdaad tot Israel en daar maak ik niks anders van. Alleen hebben we hier te maken met de Brief van de eerste paus aan christenen in vijf provincies in Griekenland, de eerste encycliek in feite. Die twaalf stammen van Israel woonden niet allemaal in die vijf provincies, dus wat zou Petrus hier bedoelen?"vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd". De verwijzing naar Hosea 1&2 is klip en klaar.
Hosea is gericht tot Israel. De twaalf stammen. Daar kun je niet zomaar iets anders van maken.
Dit vers bevestigt juist dat de brief aan de 12 stammen geschreven is, en qua adressering dus gelijk aan de Jakobus brief.
In Hosea 1 zegt God tegen Hosea om een profetische handeling uit te voeren door zijn zoon Lo-Ammi te noemen, ‘niet mijn volk’. Dat symboliseert dat God Zich afkeerde van Israel. In Hosea 2 heeft God medelijden met Israel en vergeeft hen collectief hun zonden en neemt hen weer op in Zijn verbond: ’u bent mijn volk’. Christenen uit de heidenen hebben diezelfde stap gemaakt: van ‘u bent geen volk’ tot ‘u bent Gods volk’. Dat is precies wat Petrus hier benoemt.
De woorden van Hosea zijn namelijk niet gericht aan de 12 stammen maar gericht aan de afvallige stammen van het Noordelijk koninkrijk van Israel (750 v. Chr.). Zij zouden al snel worden veroverd en verbannen en nooit meer terugkeren. Dit zijn dus de verloren stammen van Israel. Petrus richt nu specifiek deze woorden van Hosea tot heidenen die nooit Gods volk zijn geweest, zoals Israel wél was (zie ook Ef. 2:11-13).
Dus als het evangelie wordt verkondigt aan alle volkeren, dan bevinden die verloren stammen zich daar ook onder, en is Israel alsnog hersteld en zijn Hosea’s woorden vervuld.
Wat ik hierboven zeg is niets nieuws en is gewoon wat de Kerk al 20 eeuwen leert. Jouw interpretatie bestaat pas sinds de 19e eeuw en is ontstaan uit een groep die zich extreem afzette tegen de Kerk. Ik vind het merkwaardig dat je het standpunt dat de Kerk heeft overgeleverd gekregen van de apostelen afwijst, maar wel een 19e eeuwse theologische constructie uit Groot-Brittannië voor juist aanneemt. Het is duidelijk niet tot de Israelieten gericht, maar tot de heidenen waar de verloren stammen van het Noordrijk zich onder bevinden.Indien je eerst alle referenties naar Israël vervangt door of interpreteert als "heidenen", dan is het nogal wiedes dat de tekst je gaat napraten. Ik vind het erg merkwaardig dat je met deze tekst wilt aanvoeren dat de brief niet tot Israëlieten gericht zou zijn. Terwijl het juist het tegendeel bewijst.
Overigens heb ik voor de zekerheid ook maar even gecheckt wat er in protestantse en evangelische handboeken staat en die blijken gewoon dezelfde lezing van de Kerk weer te geven.
In het OT wel ja. Zoals ik in mijn vorige post al zei bouwt Petrus een heel betoog op met citaten en verwijzingen naar de LXX. Helaas kan ik hier geen tabellen in maken, anders was de structuur veel duidelijker zichtbaar geweest.In 1Pet 2:25 worden de aangeschrevenen "dwalende schapen" genoemd. Deze aanduiding verwijst nooit naar volken, maar altijd naar Israel.
“Want u was verdwaald als schapen, maar nu bent u bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen.” (1 Pet. 2:25)
Petrus haalt hier Jes. 53:5-6 aan en gebruikt het beeld van de Herder en de schapen voor christenen. Jezus is de Goede Herder (Joh. 10:11) en Petrus gebruikt dat beeld in deze brief óók: in 1 Pet 5:4, de opperherder. In dit vers staat dat de schapen zich hebben bekeerd tot deze herder. Ze zijn dus niet afgedwaald van Christus, maar hebben zich fundamenteel bekeerd tót Christus (1 Pet 1:14-16, 22, 23). Het gaat hier dus niet over uitsluitend Israelieten, maar over christenen zowel uit de joden, als uit de heidenen. En in die laatste groep bevinden zich dus ook de verloren stammen van Israel. Men dient zich dan wel eerst te bekeren tot deze behoeder (=episkopos, bisschop) van zielen.