28 juli

De heilige Pitirim, bisschop en wonderdoener van Tambov‚ leefde in de tweede helft van de 17e eeuw, een tijd van grote beroeringen, zoals het schisma der Oudgelovigen en vele nationale rampen. Maar het was ook een tijd van heilige bisschoppen die grote persoonlijkheden waren, zodat de Kerk een ware steun werd voor het gekwelde volk.
Daar waren Metrophanes van Voronezj (1628-1703); Pitirim van Tambov (1645-1698); Theodosios van Tsjernikov (-1696); Demetrios van Rostov (1651- 1709); Joannes van Tobolsk en Siberië (1651-1710).
Pitirim de verlichter van het Tambovland, werd geboren in Wjasma, bij Smolensk, een vrij kleine stad maar met veel kerken en een bloeiend kerkelijk leven. Vooral het klooster van de heilige Joannes de Doper oefende een zeer gunstige invloed uit en dit klooster speelde dan ook een grote rol in de ontwikkeling van de jonge Prokopii (de doopnaam van Pitirim). Hij en zijn zuster (de latere moniale Jekaterina) waren van kind af met de Kerk verbonden. Hij zong in het koor en was de beste lektor van de stad. Ook leerde hij met veel talent ikonen schilderen. Hij kwam vaak in het klooster en zag zichzelf daar in de toekomst als monnik.
Nadat hij de school beëindigd had, werd hij daar inderdaad novice. Door zijn liefde voor het vasten, zijn stipte gehoorzaamheid en zijn zichtbaar geestelijk leven won hij de achting van de broeders en reeds met 21 jaar mocht hij de geloften afleggen, waarbij hij de naam Pitirim ontving. Nog meer dan eerst werd de gewoonte van steeds te bidden de adem van zijn leven. Geestelijk groeide hij boven de anderen uit en reeds op 32-jarige leeftijd werd hij tot abt van het klooster aangesteld.
Onder zijn bestuur beleefde het klooster een bloeiperiode, en ook de gebouwen werden in grote luister opgetrokken. Maar onder de bevolking brak onrust uit, toen Pitirim tijdens een feestprocessie een slecht gemaakte ikoon in beslag nam. Dit feit trok echter de aandacht van de patriarch en deze zag in dat Pitirim geschikt was voor werk dat meer van hem eiste. Daarom wijdde hij hem in 1685 tot bisschop voor Tambov, een moeilijke post.
De stad Tambov was pas sinds een halve eeuw gesticht aan de zuid-oost- grens van het toenmalige Rusland, aan de rand van de woeste steppe, met slechts een aarden wal om de bewoners te beschermen tegen de invallen van de nomaden. De 4000 inwoners werden meest gevormd door afgezwaaide militairen uit het naburige district. Er waren weinig dorpen in uitgestrekte wouden, met een mengsel van Russen, heidenen en moslims. Het christendom was er nauwelijks op gang gekomen. De groepen die gedoopt waren hadden slechts twintig jaar bestaan en waren door de heidenen uitgemoord. De Russen die er waren bestonden in hoofdzaak uit bannelingen en gevluchte misdadigers. De kerkelijke zaken bevonden zich in een deplorabele toestand.
Pitirim bleef na zijn wijding dus nog een jaar in Moskou om de financiën en de organisatorische steun voor het bisdom te regelen. Dit deed hij met grote voortvarendheid. De inkomsten van verschillende kloosters en landgoederen werden aan het nieuwe bisdom toegewezen. Daarna vertrok hij met zijn zuster, moniale Jekaterina, en de ongehuwde priester Basili naar zijn diocees. Ze kwamen aan in de nacht van de 1e maart en begonnen ‘s morgens om vier uur de Dienst van de Voorafgewijde Gaven, zodat de bevolking die hun bisschop kwam begroeten, hem ontmoette in de dienst, in het gebed.
Zij zagen een opmerkelijk man. Vriendelijk, benaderbaar, zachtmoedig, aandachtig luisterend, met een uitstraling van oprechte mensenliefde met daarachter een verborgen, sterke kracht. Hij won al spoedig de liefde van zijn kudde, zowel de orthodoxen als de halsstarrige oudgelovigen, de moslims en de heidenen. En ook van de criminelen en de zwervers. “Onzelfzuchtige liefde, een waarachtig verlangen naar het goede voor allen, een warm hart en toewijding”, zo werd hij in het kort beschreven. Hij was groot en fors gebouwd, met grote, heldere, doordringende ogen. Zijn blik drukte vroomheid uit, zachtheid en goedheid, en volkomen onverschilligheid voor wereldse zaken. Zijn gezicht was strak en ingevallen, zijn stem beheerste alle registers van tenor tot bas.
Hij verzette enorm veel werk: gebouwen voor kerkbestuur en priesteropleiding, oprichten en herstel van kerken en kloosters, het zeker stellen van de inkomsten. Het orthodox geloof moest weer geheel opgericht worden, de diensten moesten in hun luister worden hersteld, geestelijk onderricht moest worden gegeven. En bij dit alles hield de heilige vast aan zijn monastieke dagregel, zijn asketische levenswijze, zijn persoonlijke gebeden en geestelijke lezing. ‘s Zondags deed hij zelf de diensten, in de week stond hij bij de clerus om de nieuwelingen het zingen en lezen te leren. Zelf las hij dan de Hexapsalm en de Uren en hij zong mee in het koor. Hij voerde op de feesten processies in, zoals dat in Wjasma de gewoonte was, en stelde ikonen op bij de poorten van de stad, om heel het diocees te stellen onder de bescherming van Christus en Zijn heilige Moeder. Een aantal van deze ikonen had hij zelf geschilderd.
Hij preekte ook altijd in de heilige diensten en ook dat trok veel mensen die dorstten naar het goddelijk woord. Hij moedigde zijn priesters aan om het ook zo te doen. Zo werd zijn residentie een ware opleidingsschool voor de Goddelijke Dienst in al zijn facetten.
Maar ook zijn missionaire activiteit was bewonderenswaardig. Een van de eerste dingen die hij tot stand bracht, was het organiseren van logies voor verbannen misdadigers en zwervers uit de omgeving. Hij was werkelijk een broeder voor het uitschot en voor allen die van het gewone leven waren afgedwaald en hij treurde diep over wie onverbeterlijk schenen en betoonde hun werkelijke liefde en barmhartigheid. Telkens weer zocht hij die mensen op om met hen te praten, en dit bleef niet zonder uitwerking. Reeds binnen een jaar na zijn aankomst moest er op algemeen verzoek een kerk gebouwd worden, toegewijd aan de heilige Joannes de Doper, de boeteprediker. Ook kwam er een klooster tot stand in 1688.
Hij trok door het maagdelijke woud en vond daar een geschikte plaats voor het oprichten van een contemplatief klooster in 1691. Hij had reeds een vrouwenklooster gebouwd, waar zijn zuster overste werd en waar zij ook gestorven is. Veel energie stak hij in het bouwen van een prachtige stenen kathedraal. Hij was zowel architect als werkman: hij sjouwde stenen, groef klei weg, werkte mee bij elk onderdeel. Deze kathedraal was nog slechts gedeeltelijk klaar tijdens zijn leven. Want hij leefde niet lang: in 1698, op het feest van de Kazanskaja-ikoon, is hij gestorven, 53 jaar oud, na een episkopaat van 13 jaar. Zijn verering begon direct na zijn dood en verspreidde zich in het bijzonder in de 19e eeuw. Op zijn sterfdag in 1914 volgde de plechtige heiligverklaring.
https://orthodoxasten.nl/evenementen/he ... e-dag-221/

Jezus roept de eerste discipelen