
De heilige Liudger, bisschop van Munster, werd in 744 bij Utrecht geboren. Als kind was hij geïntrigeerd door de kunst van het schrijven. Hij verzamelde de witte vellen die van berkenbast kunnen worden afgetrokken, tekende daarop zwarte kriebels en vertelde trots dat hij boeken had geschreven. Wat te mogen leren, en toen hij ongeveer 12 jaar oud was, werd hij toevertrouwd aan abt Gregorius van de abdij in Utrecht. Daar zag hij ook de heilige Bonifatius, toen die al heel oud was.
De abdijkinderen waren dol op abt Gregorius, die werkelijk als een vader voor hen zorgde. De meesten waren zonen uit adellijke geslachten van alle omringende landen. God inspireerde hem tot een brandende liefde voor hen allen, en naast het onderricht ontving hij hen dagelijks elk afzonderlijk op zijn kamer om naar hun persoonlijke vragen en moeilijkheden te luisteren en Gods antwoord daarop te geven. Ook Liudger was onder hen bijzonder geliefd om zijn uitzonderlijke vriendelijkheid. Hij had een opgewekt uiterlijk al lachte hij weinig. Hij was voorzichtig en gematigd in al wat hij deed en was in zichzelf voortdurend bezig met teksten uit de Heilige Schrift, vooral met die waarin Gods lof bezongen wordt.
In 760, toen hij 16 jaar oud was, werd hij zelf monnik. Hij werd in 766 als metgezel meegegeven aan de bisschop van York, die enige plaatsvervangende monniken kwam zoeken voor de door hem naar Friesland gezonden missionarissen, die daar waarschijnlijk beter geaccepteerd werden dan zendelingen uit het vijandige Frankengebied. Hij was van tevoren diaken gewijd en kwam nu in aanraking met de beroemde Alcuin die zelf ook juist diaken was gewijd. De faam van zijn geleerdheid trok uit heel Europa studenten naar York waar hij doceerde, en ook Liudger was verrukt zijn colleges te horen. Slechts met tegenzin keerde hij na een jaar naar Utrecht terug. Hij vroeg aan abt Gregorius of hij opnieuw naar Alcuin mocht gaan om zijn studie te voltooien. Gregorius weigerde en schakelde zelfs Liudgers vader in om de jongeman te overtuigen, maar deze hield vast aan zijn wens, welke ten laatste werd ingewilligd. Hij kreeg studieverlof en bleef nu nog drieënhalf jaar in York. Pas toen daar een vete uitbrak tegen de Friezen, keerde hij, met alle goede wensen van Alcuin, terug als een nu zelf hooggeleerde monnik.
De kerk die door de heilige Lebuïnus gebouwd was in Deventer, was intussen door invallende Saksen met de grond gelijk gemaakt. Alberik, de opvolger van abt Gregorius, gaf Liudger opdracht de kerk weer op te bouwen boven het graf van de heilige. In een droom vond hij de juiste plek en aan het teruggevonden graf geschiedden veel wonderen. Dit is waarschijnlijk de nu nog bestaande crypte in de Lebuïnuskerk.
Een volgende opdracht was het afbreken van de nog bestaande heidense tempels in Friesland. Liudger vond daar veel kostbaarheden, waarvan Karel de Grote twee-derde deel voor zichzelf behield en de rest aan Alberik schonk.
In 778 werd Alberik bisschop gewijd in Keulen en hij liet tegelijkertijd Liudger tot priester wijden om hem als leraar uit te zenden naar Noord-Nederland. Hij bouwde daar een kerk op de plaats waar Bonifatius gedood was in Dokkum. Verder stond hij drie maanden per jaar aan het hoofd van de abdij in Utrecht, beurt om beurt met Alberik en nog twee anderen.
Zijn werk onder de Friezen droeg rijke vrucht, het bloed van Bonifatius had de weg erheen geëffend. Maar nadat hij zeven jaar daar had gearbeid werd de streek in 784 overvallen door Wittekind, de Saksenvorst, die de missionarissen verdreef en de afgodendienst weer invoerde. Liudger trok nu naar Rome en bezocht de abdij van de heilige Benedictus op de Monte Cassino, die als model moest dienen voor zijn eigen abdij die hij van plan was te bouwen in Werden. Toch schijnt hij zelf geen benedictijn geweest te zijn: zijn kloosters in Werden en Munster volgden de regel van de reguliere kanunniken.
Intussen had Karel de Grote eindelijk de definitieve overwinning behaald over de Saksen. Wittekind was gevlucht naar zijn schoonvader, de koning van Denemarken. Hij had een opstand georganiseerd die bloedig onderdrukt werd, en was eindelijk zelf christen geworden. Saksen en Friesland waren nu aan de keizer onderworpen. Het land werd bestuurlijk ingedeeld in districten elk met hun eigen bisschoppen, priesters en abten. In 787 keerde Liudger naar Friesland terug. Hij predikte in het land rond Groningen en bekeerde ook het eiland Helgoland, waar Willibrordus eens drie inlanders had gedoopt.
Na de volledige overwinning over de Saksen werd Liudger naar Westfalen gezonden. Hij bouwde een klooster op de plaats waar nu de stad Munster ligt, en hij trok zo energiek rond dat hij zelfs geen kap droeg, zoals zijn levensbeschrijving zegt. Reeds spoedig werd hij bisschop gewijd. Hij bestuurde de trotse Saksen met wijs oordeel en zachtheid, en zo won hij de harten die zich slechts onder zware dwang gebogen hadden voor de bevelen van Karel de Grote. Friesland was nog steeds onder zijn bestuur en ook werd hij door Karel de Grote aangesteld over een klooster in Brabant. Zo regeerde hij dus over drie volkeren, zoals hem eens in een droom was voorzegd.
Zoveel succes bracht natuurlijk ook jaloezie mee. Hij werd bij de keizer aangeklaagd om zijn gierigheid bij de aankleding van de kerken, en hij moest voor het hof verschijnen. Liudger kwam daar aan en ging ‘s morgens vroeg naar de kerk voor het officie. De keizer stuurde een kamerheer om hem te halen en Liudger beloofde te komen zodra hij klaar was. Dit antwoord bevredigde de keizer niet: nog tweemaal stuurde hij iemand om Liudger te halen maar telkens kregen zij hetzelfde antwoord. Toen hij kwam, vroeg de keizer hem natuurlijk wat dat voorstelde dat hij niet onmiddellijk kwam als hij ontboden werd. Liudger antwoordde: ‘God moet gesteld worden boven u, o koning, en boven alle mensen!’ Dit antwoord viel in goede aarde en de keizer riep uit: ‘Ik ben blij dat ge zijt zoals ik me u altijd heb voorgesteld, en ik beloof u dat ik nooit meer het oor zal lenen aan wie u belasteren.’
Zo legde Liudger ook eens een strenge boete op aan een priester die wegliep onder de metten om het smeulende vuur aan te blazen waarvan de rook de bisschop in het gelaat kwam; want hij wilde zijn geestelijkheid inscherpen dat zij zich door niets mochten laten storen wanneer zij het goddelijk officie baden.
Met zijn medewerking is het beroemde middeleeuwse leerdicht ‘Heliand’ geschreven, waarin de christelijke leer verbonden wordt met oud-Germaanse overleveringen. Daaruit blijkt met hoeveel fijngevoeligheid Liudger zijn missie-arbeid bedreef, die dan ook veel meer succes kende dan de ruwe dwangmethoden van Karel de Grote.
Toen hij zwak begon te worden, besteedde hij meer tijd dan ooit tevoren aan het lezen van de Heilige Schrift en het zingen van de psalmen en nu vierde hij dagelijks de goddelijke Liturgie. Op zijn laatste levensdag assisteerde hij heel vroeg in de morgen bij de heilige Mis in Coesfeld, waarbij hij de preek hield; ging toen in haast naar Billerbeck om daar de Mis te celebreren van 9 uur, waarbij hij eveneens preekte, ging daarna rusten en ontsliep zacht tegen de avond, 26 maart 809.
https://orthodoxasten.nl/evenementen/he ... e-dag-446/