(Voor de joods-christelijke religieuze dialoog lees ook het boek "Dialoog met Tryfo" van Justinus de Martelaar. De vertaling naar het Nederlands is er al. Lees de inleiding hier https://www.gospel.nl/dialoog-met-tryph ... n_contents )
Het leven van de heilige Sylvester, paus van Rome.

Heilige Sylvester werd geboren in Rome. Hij werd opgevoed in het heilige geloof en studeerde onder de presbyter Quirinus, zowel wetenschap als goede moraal. Toen hij volwassen was geworden, werd hij een grote gastheer en uit liefde voor God en zijn naasten bracht hij vreemden in zijn huis en nadat hij hun voeten had gewassen, trakteerde hij hen en gaf hen volledige rust. Toen de heilige man en belijder[1] van Christus, bisschop Timotheüs, vanuit Antiochië naar Rome kwam om het evangelie van het koninkrijk van Christus hier te prediken, nam Sylvester hem in zijn huis op en, toen hij zijn heilig leven zag en naar zijn leringen luisterde, slaagde hij zelfs nog meer in deugdzaamheid en geloof. Na een jaar en enkele maanden in het huis van Sylvester te hebben verbleven, bekeerde Timotheüs veel Romeinen van afgoderij tot de ware God, waarvoor hij door de stadsprefect Tarquinius in de gevangenis werd geworpen. Na een lang verblijf in boeien, werd hij geslagen, maar zelfs daarna weigerde hij offers te brengen aan de afgoden, waarvoor hij werd onthoofd met een zwaard, hebbend zo de marteldood aanvaard. De gezegende Sylvester nam zijn heilige relieken 's nachts mee en begroef ze met passende begrafenisgezangen in zijn huis. Vervolgens bouwde een vrome vrouw, Theonisia, op eigen kosten een tempel ter ere van de heilige Timoteüs, en met de zegen van de Roomse bisschop Melchiades [2] bracht ze de relieken van de heilige martelaar naar deze tempel. De stadsprefect Tarquinius, die Sylvester had ontboden, eiste van hem de eigendommen die na Timoteüs waren overgebleven, en dwong hem aan afgoden te offeren, hem bedreigend met vreselijke kwellingen voor ongehoorzaamheid. Sylvester, die de op handen zijnde dood van de prefect voorzag, zei hem met de Evangeliewoorden:
- “In deze nacht zal men uw ziel van u opeisen” (Lucas 12:20), maar wat je mij dreigt te doen, zal niet uitkomen.
Boos over deze woorden, beval de prefect de heilige in ijzeren kettingen vastbinden en in de gevangenis werpen; en zelf ging hij aan tafel te lunchen. Tijdens de lunch liep een visgraat vast in zijn keel, en op geen enkele manier kon worden verwijderd, zelfs niet met de hulp van de artsen; van de lunch tot de middernacht te hebben geleden, stierf Tarquinius volgens de voorspelling van de heilige, en 's ochtends droegen zijn familieleden zijn lichaam met geween naar de begraafplaats. De gelovigen voerden Sylvester met blijdschap uit de gevangenis, en vanaf die tijd werd hij niet alleen door de gelovigen vereerd, maar ook door ongelovigen, want veel van de dienaars van het hof van de prefect, die zagen hoe Sylvesters voorspelling werd vervuld, werden bevreesd en vielen aan zijn voeten, opdat geen ongeluk hen zou overkomen, zoals hun meester; anderen, overtuigd door dat wonder, bekeerden zich rechtstreeks tot Christus. Kort daarna werd de heilige Sylvester opgenomen in de clerus van de Roomse kerk en tot presbyter gewijd door paus Marcellinus (296–304). Na de dood van paus Melchiades, werd hij daar unaniem gekozen door allen tot paus [3] en besteeg hij de bisschoppelijke troon. Hij werd in de ogen van allen geplaatst als een fel brandende kaars op een kandelaar, en als een nieuwe apostel weidde hij de kudde van Christus, met zijn woorden en daden leidend hem naar de heilsweide.
Toen hij opmerkte dat sommige leden van de geestelijkheid de plichten van hun bediening waren vergeten en zich bezighielden met seculiere zaken van het leven, dwong hij hen opnieuw aan om terug te keren tot de dienst van de kerk en vaardigde hij tegelijkertijd een decreet uit dat geen van de ingewijden zich in commerciële zaken zou bezighouden. Hij introduceerde ook nieuwe namen voor de dagen van de week voor de Roomse christenen. De Romeinen noemden in die tijd de eerste dag, - die we zondag noemen, - de dag van de zon, en de rest van de dagen werden de dagen van Luna, Mars, Mercurius, Zeus, Venus, Saturnus genoemd[4]. Omdat hij de namen van de heidense goden verafschuwde, beval Sylvester de eerste dag de dag van de Heer te noemen[5], omdat op die dag de glorieuze opstanding van onze Heer uit de dood plaatsvond, hij noemde andere dagen zoals ze nu door Roomse christenen worden genoemd[6]. Hij maakte ook een decreet dat christenen slechts op één sabbat behoren te vasten, waarop Christus stierf en in de hel neerdaalde, om hem te vernietigen en vandaar onze voorvader Adam te bevrijden, samen met andere voorvaderen; op andere zaterdagen verbood hij het vasten[7].
In die tijd in Rome, in een diepe grot onder de Tarpeïsche rots[8], nestelde zich een enorme slang, waaraan de heidenen elke maand offers brachten, als aan een god; toen deze slang de grot verliet, vergiftigde hij de lucht met zijn giftige adem, en veel van de levenden in de buurt van die plaats stierven, meestal kinderen. Heilige Sylvester, die de mensen wilde redden van de verderfelijke slang en hen van de goddeloosheid[9] tot de ware God bekeren, riep de christenen die in de stad woonden en gebood hen drie dagen te vasten en te bidden, en hijzelf vastte en bad meer dan wie dan ook. Op een nacht verscheen de heilige apostel Petrus aan hem in een visioen en gebood hem enkele priesters en diakenen mee te nemen en zonder angst naar de grot te gaan waar de slang woonde. Bij de ingang van de grot moest Sylvester een kerkdienst verrichten, dan de grot binnengaan en, de naam van de Heer Jezus Christus aanroepend, daar een slang insluiten zodat hij daaruit nooit zou weggaan. De heilige ging op bevel van de apostel naar de grot en, na voltooiing van de goddelijke dienst, ging hij daar naar binnen, vond enkele deuren erin, sloot ze en zei:
- Laat deze deuren niet opengaan tot de dag van de wederkomst van Christus!
Νadat hij zo de slang in de grot had opgesloten, kreeg die nooit een uitweg meer. De heidenen dachten dat Sylvester en zijn geestelijken door de slang zouden worden verslonden. Maar toen ze hem naar buiten zagen komen zonder enige letsel, waren ze verrast; Toen ze zagen dat de slang sindsdien niet meer tevoorschijn kwam, hebben velen de kracht van de ware God leren kennen en zich bij de gelovigen aangesloten.
In die tijd werd het koninkrijk van Rome geregeerd door Constantijn de Grote, die nog niet de heilige doop had ontvangen, hoewel hij met heel zijn hart in Christus geloofde. Hij vaardigde een decreet uit dat niemand het zou wagen Christus te lasteren en christenen te vervolgen, gaf opdracht om afgodentempels af te sluiten, heidense offers te stoppen, en heeft christenen in ballingschap en kerkers vrijgelaten. Tegelijkertijd had de koning aandacht voor de nederige vragers en voldeed hij aan elk rechtvaardig verzoek; vanuit zijn landgoed deelde hij genereuze aalmoezen uit aan de armen. In Rome en daarbuiten, in het hele rijk, beval Constantijn de oprichting van christelijke kerken. De Kerk van Christus groeide met de dag en vermenigvuldigde zich in het aantal van haar kinderen, en afgoderij nam af. Dit bracht vreugde bij de gelovigen, van wie er al zoveel in Rome waren dat ze iedereen die geen christen wilde worden uit de stad wilden verdrijven, maar de koning verbood de mensen dit te doen en zei:
- Onze God wil niet dat iemand zich tot Hem wendt onder dwang; maar wie Hem volgens zijn gezindheid en met goede bedoelingen benadert, Hij schept behagen in hem en aanvaardt hem genadig. Dus wie wil, laat hem dus in volledige vrijheid geloven, en laat één de ander niet vervolgen.
De mensen verheugden zich zelfs nog meer over dit koninklijke woord, aangezien de koning iedereen aanbiedt om naar hun eigen geloof te leven, zoals ze willen.
Gelovigen verheugden zich niet alleen in Rome, maar in het hele rijk, want overal werden de gelovigen verlost uit de boeien en kerkers, de belijders van Christus keerden terug uit gevangenschap, de christenen, verborgen in de woestijnen uit angst voor de folteraars, keerden onbevreesd naar huis en overal waren de vervolgingen gestopt.
Maar de oervijand van het christendom - de duivel, - die zo'n schouwspel van de kerkelijke vrede en het verspreidende licht van vroomheid niet kon verdragen, inspireerde de joden om zich te wenden tot de prijzenswaardige Helena, de moeder van de koning, die toen in haar eigen land, Bithynië[10], woonde.
- "De koning, uw zoon, heeft het goed gedaan, - zeiden ze tegen Helena," - dat hij de goddeloosheid heeft verlaten en de tempels van afgoden heeft omvergeworpen; maar het is niet goed dat hij in Jezus geloofde en hem eert als de Zoon van God en de ware God, terwijl Hij een Jood en een magiër was die mensen verleidde met verschillende schijnsels, die Hij veroorzaakte door Zijn magische kracht; na de marteling hing Pilatus hem als misdadiger aan het kruis. Dus u, koningin, moet de koning uit zo’n bedrog wegleiden, zodat God niet boos op hem zal zijn en hem geen ongeluk overkomt.
Na dit te hebben gehoord, bracht Elena haar zoon, Constantijn, hiervan schriftelijk op de hoogte. Na het lezen van de brief antwoordde hij zijn moeder ook door middel van een brief, zodat de joden, die haar hiervan op de hoogte brachten, met haar naar Rome zouden komen om hier een geloofsstrijd met de christelijke bisschoppen aan te gaan; de partij die wint, heeft ook het juiste geloof. Toen de koningin dit bevel van de koning aan de Joden bekendmaakte, verzamelde zich onmiddellijk een groot aantal geleerde Joden, die hun wet hadden bestudeerd, die zowel de leer van de profeten als de Griekse filosofie kenden en bereid waren om te polemiseren, en ze gingen allemaal met koningin Helena naar Rome. Onder hen was een wijste rabbijn, Zambri genaamd, die niet alleen perfect Helleense filosofie en Hebreeuwse boeken had bestudeerd, maar tegelijkertijd een grote tovenaar was. De joden vestigden al hun hoop op hem en dachten dat als hij de christenen niet zou verslaan in een mondeling geschil, hij zou hen zeker overwinnen met zijn magische tekenen.
Toen de dag van de redetwist tussen joden en christenen aanbrak, zat de koning op de troon, omringd door zijn hele Synclitus[11], en de heilige Sylvester verscheen voor hem met een klein gevolg van degenen die hem vergezelden, waaronder verschillende bisschoppen die op dat moment in Rome waren aangekomen. Toen kwamen ook de joden binnen, in het aantal van 120 mensen, en onmiddellijk begon het gesprek, waarnaar koningin Helena luisterde, zittend achter het gordijn, en de koning besprak met de Synclitus wat er van beide kanten werd gezegd. Aanvankelijk eisten de joden dat de twaalf wijste christenen met hen zouden spreken van christelijke zijde, maar heilige Sylvester verzette zich daartegen door te zeggen:
- "We vestigen onze hoop niet op een groot aantal mensen, maar op God, die iedereen sterkt. Hem om hulp roepend, zeggen we: Ontwaak God, oordeel over Uw zaak!"[12]
- 'Dit zijn woorden uit onze Schrift!', - wierpen de Joden hem tegen, - 'want onze profeet heeft ze geschreven; u zou moeten spreken met de woorden van uw boeken, niet die van ons!
Sylvester antwoordde hierop:
- Het is waar dat aan jullie aanvankelijk werd gegeven de Schriftuur van het Oude Testament en de preken van de profeten, maar tegelijkertijd zijn ze van ons, omdat ze veel zeggen over Christus, onze Heer. Ons geschil moet dus gebaseerd zijn op uw boeken, want terwijl uw boeken ook de onze zijn geworden, zijn de onze aan u vreemd en gelooft u liever uw boeken dan de onze. Daarom zullen we u op basis van uw boeken de waarheid laten zien waartegen u zich verzet; zulk een overwinning zal glorieuzer en duidelijker zijn wanneer we, nadat we wapens uit de handen van de vijand hebben afgepakt, hem met deze wapens zullen verslaan!
- 'Deze woorden van de bisschop', - merkte de koning op, - 'zijn terecht en hierin kan hij niet worden tegengesproken; want als uit uw boeken, joden, christenen u een getuigenis geven over hun Christus-God, dan zullen zij natuurlijk de overhand hebben en zult u verslagen worden door uw eigen boeken.
De hele Synclitus prees deze koninklijke beslissing. Toen begonnen de joden christenen het volgende te vertellen:
- Onze Almachtige God zegt in het boek Deuteronomium 32:39: “Zie nu in dat Ik, Ik Die ben, er is geen God naast Mij.” Hoe noemen jullie dan Jezus God, die een eenvoudige man was en die onze vaders kruisigden? Waarom introduceren jullie drie goden: de Vader in wie wij ook geloven en Jezus, die u de Zoon van God noemt, en een derde God - de Geest? Als u op deze manier gelooft, gaat u niet in tegen de Schepper van alles, God, die leert dat er geen andere goden zijn naast Hem?
Hierop antwoordde de door God geïnspireerde Sylvester:
- Als u, zonder enig vooroordeel en irritatie, met uw verstand in de Schrift duikt, dan zult u inzien dat we niets nieuws introduceren wanneer we de Zoon van God en de Heilige Geest belijden, want dit zijn niet onze woorden, maar de openbaring van God, vervat in de boeken van Gods profeten. Allereerst zei de profeet en koning David, die de opstand van uw vaderen tegen onze Heiland voorspeelde: Psalm 2:1 “Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat zonder inhoud is? De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde.” Hier dus, door hem Christus en Heer te noemen, duidt hij niet één persoon aan, maar twee. En dat Christus de Zoon van God is, verkondigt dezelfde profeet met deze woorden: Psalm 2:7 “De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt.” Degene die verwekte is een ander dan die geboren is!
Hierop zeiden de Joden:
- Door te zeggen dat God heeft gebaard, maakt u de hartstochtloze hartstochtelijk. Hoe kan de Zoon, die op een bepaald moment werd geboren en een tijdelijk bestaan had, God zijn? Het woord ‘dag’ duidt een bepaalde tijd aan en staat niet toe dat de Zoon wordt erkend als de eeuwige God.
Sylvester antwoordde:
- We zeggen niet dat een hartstochtelijke geboorte plaatsvond in relatie tot God; we belijden dat het Goddelijke hartstochtloos is en dat de geboorte van de Zoon dezelfde was als de geboorte van het woord uit de geest. We introduceren geen leer van de tijdelijke geboorte van de Zoon uit de Vader, maar geloven in zijn eeuwige geboorte, die niet onderhevig is aan tijd, want we weten dat de Schepper van tijd de Zoon is samen met de Vader en de Geest, en de Schepper van tijd is zelf niet beperkt door de tijd. De uitdrukking ‘ik heb u heden verwekt’ duidt niet op een hogere en eeuwige Goddelijke geboorte, maar op een lagere, die op een bepaalde tijd plaatsvond en werd volbracht in het vlees, die Hij aanvaarde voor onze redding. De profeet wist dat Christus de eeuwige God is, en daarom zegt hij: "Uw troon, o God, is voor eeuwig" (Ps. 45: 7). Als voorafschaduwing van de incarnatie die in de komende tijd zou plaatsvinden, zei hij: “U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt." Dus met deze woorden: “U bent mijn Zoon” wijst hij niet op het tijdelijke, maar op Zijn eeuwige geboorte; en met de woorden: "Heden heb ik u verwekt" duidt hij op Zijn geboorte, die op een bepaalde tijd plaatsvond. Door te zeggen "Ík heb U heden verwekt", toonde de profeet aan dat de geboorte van de Zoon, die op een bepaalde tijd zou plaatsvinden, de Vader aan Zichzelf toeschrijft, omdat het volgens zijn wil is. Maar zelfs dan duidt de uitdrukking “Ík heb U heden verwekt” op de eeuwigheid van de Goddelijke geboorte, waarin er geen actie is uit het verleden en de toekomst, maar altijd slechts één heden. Dezelfde David getuigt in de Heilige Geest met de volgende woorden: “door het Woord van de Heer werden de hemelen geschapen, en door de geest van zijn mond heel hun legermacht” (Ps. 33: 6). Dus hier noemt hij Drie Personen: God de Vader en de Zoon, die hij het Woord noemt ter wille van zijn hogere en hartstochtloze geboorte, en de Heilige Geest. En ergens anders zegt hij: "Neem uw Heilige Geest niet van mij weg" (Ps. 51:13). En nogmaals: "Waar zal ik heen gaan van Uw Geest?" (Psalm 139: 7). Met deze woorden laat de profeet duidelijk zien dat er de Heilige Geest is, die alles met Zichzelf vervult. En hij zegt ook: "U zend uw geest uit en zij worden geschapen" (Psalm 104: 30). Zei David dit niet alles? Maar de God-ziener Mozes haalt in het boek Genesis de volgende woorden van God aan: "laten wij mensen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis" (Genesis 1:26). Met wie sprak God dan, als er geen andere Persoon bij Hem was? Niemand zal zeggen dat God dit tegen de hemelse krachten zei, want de woorden: "naar ons beeld" geven geen enkele gelegenheid om zo te denken; niet hetzelfde beeld en dezelfde gelijkenis delen God en de engelen, net zoals hun wezen en hun kracht niet dezelfde zijn als die van God, maar één is het wezen van God en andere is dat van de engel. Het is dus noodzakelijk om aan te nemen dat er iemand anders in het gesprek was tegen wie God die woorden zei: "naar ons beeld". Deze Ander moest zo zijn, Die hetzelfde wezen zou hebben als de sprekende God, absoluut identiek aan God in beeld en gelijkenis. Wie zou dit kunnen zijn als niet de Zoon, die één in wezen is met de Vader, gelijk aan Hem is in heerlijkheid en kracht, en het onveranderlijk beeld van God is? Wat introduceren we nieuw als we geloven en bevestigen dat er één Vader en één Zoon en de Heilige Geest is? En als de heidenen dit ongelooflijk en ongegrond vinden, dan is dit niet verwonderlijk, omdat ze de Heilige Schrift niet kennen. Maar waarom gelooft u dit niet, die de woorden van de heilige profeten bestudeert, van wie er niet één is die over de onze dingen niet geprofeteerd zou hebben?