
De heilige hegoumen Pafnutios van Borovsk. Zijn voorvader was een van de Tataren die zich op hun sterfbed hadden laten dopen om zich voor de eeuwigheid veilig te stellen. Reeds als kind was Pafnutios, die toen nog Parfenios heette, opgevallen door het begrip waarmee hij de Bijbel las, en door zijn ernstig gedrag. Toen hij 20 jaar was, werd hij monnik, en hij deed in 1414 de gelofte. Zijn geestelijke vader, Niketas‚ was een leerling van de heilige Sergios van Radonesj. Zeven jaar later werd Niketas teruggeroepen naar het klooster waar hij abt was geweest Hij wilde Pafnutios meenemen, maar de abt stond het niet toen ook Pafnutios zelf wilde liever in zijn klooster blijven omdat hij nog zo jong was. Hij had nu geen geestelijke vader meer en leefde volgens de raad van de heilige Dorotheos van Gaza voor dat geval: “Hij die oprecht, uit heel zijn hart, de wil van God wil volbrengen, die wordt door God niet in de steek gelaten, en Hij zal he op allerlei wijzen plaatsen op de weg van Zijn wil.” In 1426 werd hij tot abt gekozen. Om een levend voorbeeld te zijn, pleegde hij steeds zwaardere askese, en hij groeide tot een groot geestelijk leider, die zowel vader, overste, starets, als geestelijk raadsman was. Na 18 jaar, toen hij ruim 50 jaar oud was, werd hij ernstig ziek. Hij kreeg toen, als stervende, het grote schima. Hij werd weer min of meer gezond, maar achtte zich toen gebonden om in de volkomen eenzaamheid van het oerwoud te gaan leven. Men kwam echter bij hem en op den duur stichtte Pafnutios voor hen een klooster. Er kwamen rijke geschenken en de beste iconenschilders werden uitgenodigd om de stenen kerk van de Geboorte van de heilige Moeder Gods te sieren, nadat deze was geconsacreerd op haar feestdag, 26 oktober 1462.
Tegelijk leidde Pafnutios een uiterst strikt leven. Hij nam deel aan het zwaarste werk: het hakken en verslepen van brandhout; het aanbrengen van de benodigde stenen tijdens de winter; het aanbrengen van water voor de groentetuin en het metselwerk. Toch was hij altijd het eerste in de kerk. In de winter besteedde hij meer tijd aan gebed en lezing, en knoopte hij visnetten. Zijn cel was nog armelijker gemeubileerd dan die van de broeders; bij de maaltijd koos hij de slechtste stukken voor zichtzelf; op maandag en vrijdag at hij niets, op woensdag hield hij ‘droge vasten’.
Buiten dit alles was hij de steun en toeverlaat van de boerenbevolking uit die streek. Hij noemde hen broeders en sprak gaarne met hen en met de bezoekende pelgrims. Hij deed alles om hen te troosten in hun verdriet, en vaak wist hij hun diepste geheimen bloot te leggen. In de kerk deed hij mee met de zang, en wanneer een stichier niet goed verstaanbaar was, liet hij de cantor die herhalen, desnoods verschillende keren. Wanneer hij de kerk verliet, vroeg hij de zegen van de dienstdoende priester.
Pafnutios hield ervan de vogels in hun gedrag gade te slaan, vooral de roeken (een grote ravensoort) die hun nesten bij het klooster hadden gebouwd. Hij bewonderde hun vlijt, hun samenwerking en de wijze waarop zij elkander te hulp kwamen; hij zag in deze dieren iets afgebeeld van het ideaal dat de monnikengemeenschap nastreefde. Hij beschermde ze daarom ook en verbood ze te vangen of te doden.
Zoals hij aan zijn ouders beloofd had, zorgde Pafnutios vrijgevig voor de armen. Tijdens een hongerjaar verstrekte het klooster voedsel aan meer dan duizend noodlijdende boeren per dag, totdat de gehele klooster-voorraad uitgeput was. Ook in zijn preken kwam hij vaak terug op de noodzaak van vrijgevigheid, en hij vertelde hoe een moslim van de hel was gered doordat hij niet slechts christenen maar ook gevangen vogels had gekocht om ze vrij te laten.
De kroniek zegt nog van hem dat hij, hoe strikt hij ook was tegenover zichzelf, en welk een strenge onthouding hij ook beoefende, toch altijd de “koninklijke weg” bewandelde door uitersten in elk opzicht te vermijden.
Hij handhaafde de stilte, maar sprak wanneer het nodig was. Hij hield van vasten, maar kon ook normaal eten. Hij streefde naar armoede en eenvoud, maar kon ook gebruik maken van overvloed.
Een heel sprekend voorbeeld van deze gesteldheid was te zien in de tijd kort voor zijn dood. Pafnutios had de geloften van het grote schima afgelegd, wat o.m. inhoudt: niet meer dienen als priester. Toen er door omstandigheden geen priester aanwezig was in het klooster verbrak Pafnutios de regel en diende voor Pasen. Sinds jaren celebreerde hij voor het eerst weer zelf de Heilige Liturgie in extatische vreugde.
Zijn laatste dagen besteedde hij aan gebed en hij nam nog enkele malen deel aan het Officie in de kerk, waarbij hij staande leunde op zijn staf en het hoofd op de handen liet rusten. Hij liet de broeders bij zich komen in zijn cel, troostte hen en liet hen drinken van de hem aangeboden beker met honingwater. Tenslotte zong hij psalm 118 met de stichieren van de Panichida. Zijn laatste gebed was gericht tot de alreine Moeder Gods om bijstand voor het klooster en om hem te helpen de vallei van de dood te doorkruisen. Zo is de heilige Pafnutios gestorven op de eerste mei, in de avond van de vierde donderdag na Pasen, in 1478. De volgende morgen werd hij, volgens zijn wens, in alle eenvoud begraven. Reeds na enkele jaren was zijn verering als Heilige algemeen verspreid. Op de zondag van de Orthodoxie 1574 volgde zijn canonisatie.
https://orthodoxasten.nl/evenementen/he ... e-dag-482/
