

De heilige Jakobos, monnik-martelaar, met zijn leerlingen Jakobos en Dionysios. Jakobos, uit arme ouders in Kastoria, werd op jonge leeftijd wees, maar vond een goede broodwinning als schaapherder. Hij liet dit werk over aan zijn broer die geen werk had kunnen vinden, en ging zelf naar Constantinopel. Als slagersjongen raakte hij thuis aan het Turkse hof. Daardoor ontstonden discussies over godsdienstige onderwerpen, en hij ging meer nadenken over God en zijn leven. Hij kwam in aanraking met de heilige patriarch Nifon en nam het besluit zijn leven radicaal te veranderen. De weinige bezittingen die hij had vergaard gaf hij weg en hij vertrok op pelgrimsreis naar de Athos. Daar werd hij monnik in het klooster Dochiariou. Gedurende drie jaar oefende hij zich in strenge ascese, ogenblikkelijke gehoorzaamheid en diepe deemoed. Toen kreeg hij zegen om zich terug te trekken in de eenzaamheid, om zich zonder enige afleiding te wijden aan het ononderbroken gebed. Hij vond plaats in een tot ruïne vervallen kluis, op het gebied van het klooster Iwiron.
Hij leefde van een paar brokken brood per dag, voor zover hij niet vergat te eten wanneer hij zich volkomen overgegeven had aan het gebed. Hij moest strijden tegen de kwade gedachten die in hem opkwamen, en die de duivel hem soms lichamelijk voor ogen stelde. Met geweld moest hij dan telkens zichzelf terugroepen en zich vastklampen aan de heilige naam van Christus en de bijstand van de heilige Moeder Gods. Pas toen hij jaar in jaar uit zo had gestreden, begon zich een kleine vertroosting te doen gevoelen in zijn hart, zoals hij aan zijn leerling vertelde. Deze gewaarwording werd langzamerhand steeds sterker en groeide uit tot een warme gloed van vreugde en liefde tot God en tot de mensen. Die gloed werd daarna een onbeschrijflijk lieflijk innerlijk licht, de energie van Gods genade. Ook dit licht werd in de loop der tijd steeds sterker en oversteeg de zichtbare schepping. Het steeg boven de zon en de hemel, het verliet deze wereld met zijn afwisseling van dag en nacht. Het trok door het paradijs, eens geplant voor Adam en Eva, en kwam in de hemelse contreien, de plaatsen die leeg waren geworden door de val van de engelen. En nog steeds groeide het licht, het ging de luister van de stralende engelen te boven. Het was of zijn geest ogen gekregen had aan alle kanten, zoals de cherubijnen, en dat zijn ziel naderde tot de troon van God. En in het helderste licht mocht hij Christus Zelf aanschouwen, omgeven door de alles overstralende duisternis van Zijn Godheid.
Op deze wijze verbleef de Heer zonder onderbreking in zijn hart. Door de genade werd hij werkelijk kind van God, en daardoor was hij in staat anderen tot God te leiden, die in steeds groter getale bij hem kwamen om zijn raad te vragen, of om alleen maar de zegen te ontvangen van in zijn nabijheid te zijn. Voor dit innerlijk licht kon niets verborgen blijven en vaak besprak hij met zijn bezoekers de geheimste kwellingen van hun geweten voordat zij erover hadden gesproken.
Op aanvraag van de monniken gaf de bisschop van Hierissos, die de jurisdictie had over de Heilige Berg, aan Jakobos de opdracht biecht te horen, ofschoon hij nog geen priester was. Hij had nauwelijks onderwijs genoten, maar toch wist hij de meest complexe vraagstukken te ontwarren. En hoezeer hij ook brandde van liefde, toch kon hij streng zijn en veeleisend, vooral tegenover priesters. Hij verbood sommigen zelfs de Heilige Liturgie te vieren. Dit gedrag verontrustte metropoliet Makarios van Thessalonika en deze kwam hem opzoeken om zich nader op de hoogte te stellen. Maar toen hij zag welk een waarlijk geestelijke helderziendheid in hem werkte, herkende hij in hem een ware man Gods en hij vroeg zijn zegen.
Vanaf dit ogenblik werd Jakobos ertoe gedreven rond te trekken langs de verschillende Athos-kloosters, waar de monniken zich verheugden over zijn stralend onderricht, en velen hun hoogmoed onder ogen werd gebracht en anderen aangemoedigd werden hun traagheid te overwinnen. En aan wie zich schaamden om hun innerlijke zonden te belijden, openbaarde hij wat zij zo angstig wilden verbergen.
Eens geraakte hij in extase tijdens de Goddelijke Liturgie en hij zag hoe een menigte van engelen zich verzamelde rond de heilige Gaven. Daarop was een goddelijk licht neergedaald op het ogenblik dat de priester ze met het velum afdekte op het einde van de voorbereiding. Bij de Grote Intocht breidde dit licht zich uit over heel het aanwezige volk. Onzegbaar stralend werd het bij de epiclese en het overdekte zelfs de priester, die eerst in het duister gebleven was wegens zijn zonden. Want om het geloof van het volk werd de genade niet weggetrokken bij de heilige Offerande.
Na deze rondtocht, waarbij ook vele wonderen waren geschied, trok Jakobos zich weer, met enkele leerlingen, in de meest afgelegen woestijn van de Athos terug. Daar verbleven zij elk afgezonderd. Jakobos nam in het geheel geen voedsel mee; de vijf weekdagen sprak hij met niemand, alleen op zaterdag en zondag kwamen zij bijeen om te communiceren bij het vieren van de heilige Mysteriën. Dan verhaalde hij wat God hem in het gebed had doen aanschouwen.
Zo werd hem ook geopenbaard dat hij de rust en de vrede van de Athos moest verlaten om naar Aitolië te gaan, waar hem vele beproevingen en het martelaarschap te wachten stonden. Hij ging dus op weg en na de toestemming van de bisschop te hebben verkregen, vestigde hij zich in een kloostertje van de heilige Johannes de Voorloper bij Patras, samen met enkele leerlingen. Verschillende wonderen die op zijn gebed tot stand kwamen, maakten in de verre omtrek zijn naam bekend, zodat er veel leerlingen kwamen om zich onder zijn leiding te stellen. Dit trok de aandacht van de Turkse bewindslieden. Zij beschuldigden Jakobos ervan rebellen bijeen te brengen om een opstand voor te bereiden, en er werd een troep soldaten heengezonden om zich van de opstandelingen meester te maken. Jakobos zag vooruit dat de soldaten in aantocht waren. Hij liet daarom vroeger de Heilige Liturgie vieren en pas na de heilige Communie stormden de soldaten naar binnen.
Jakobos liet hun een maaltijd voorzetten en ging zonder bezwaar te maken met hen mee, samen met de diaken Jakobos en de monnik Dionysios. In Trikala werd hij ondervraagd, maar er werd niets onwettigs gevonden. De gouverneur hield hen desondanks vast, in de hoop een losprijs te krijgen van het volk. Toen er niet genoeg kwam naar zijn zin, stuurde hij de drie door naar de sultan in Adrianopolis. Daar werden zij om hun zelfverzekerdheid gegeseld. Na enkele dagen in de gevangenis werden zij weer voor de sultan gevoerd. Deze had intussen gehoord over het charisma van Jakobos, en hij vroeg hem de toekomst te voorspellen. Toen Jakobos hem voorzegde dat hij binnenkort zou sterven, ontstak de sultan in razernij. 17 dagen lang liet hij de drie monniken op allerlei manieren folteren. Tenslotte werden zij opgehangen, ofschoon Jakobos reeds gestorven was, in het jaar 1520. Hun lichamen werden overgebracht naar het klooster van de heilige Anastasia, bij Thessalonika.
https://orthodoxasten.nl/evenementen/5877/

